De nieuwe rijken

In de negentiende eeuw was Amerika het land van de vrijheid, een liberale democratie met alle kansen voor het individu om zich te ontplooien. Je afkomst was niet belangrijk. Het telde alleen of je een doorzetter was en successen boekte.

De Franse Revolutie van 1789 had een einde gemaakt aan de heerschappij van de aristocratie. Er werd een nieuwe heersende klasse geboren: de bourgeoisie of middle class. Deze klasse bestond uit welgestelde kooplui, fabrikanten en bankiers. Zij waren niet belangrijk vanwege hun afkomst, maar vanwege hun kapitaal. Zij kochten hun macht, decorum en aanzien. En ook al waren ze economisch liberaal, moreel waren ze vaak erg bekrompen. Om zich te onderscheiden droegen ze juwelen en kostbare kleding. 

Het spreekwoord Adeldom verplicht werd vervangen door Fortuin verplicht en om te laten zien hoe rijk ze waren, woonden ze in enorme huizen. Hun protserigheid was ongelooflijk. Dat was geen verspilling, dat was plicht. Vanzelfsprekend hadden ze veel bedienden nodig. Hoe meer bedienden, hoe hoger ze stegen op de maatschappelijke ladder. Verplicht was ook een schilderijencollectie.

Om concurrenten de loef af te steken gaven ze grote bals en diners. Dankzij de rijkdom ontstond in New York (en de andere grote steden) een bruisend muziek- en theaterleven., waar je vanzelfsprekend in avondkleding naar toe ging.

Oorspronkelijk was de nieuwe rijke een selfmade man, maar de volgende generatie bestond vaak uit renteniers. Mensen dus die zich de hele dag konden wijden aan spel en feest. Ook de opkomst van de badplaatsen is in dit licht te zien. Maar de dames wilden wel hun blanke huid houden en waren dus gekleed in een alles bedekkend badpak.

Joseph de la Mar past helemaal in het plaatje van de Nouveau Riche. Ook hij woonde in enorme woningen met bedienden. Delamar-Mansion in New York had een speciale show-etage met kunstgalerie, ballroom en muzieksalon. De tweede woning Pembroke had maar liefst 53 kamers. Via doorkliklinks op de Joseph-bladzijde kun je een kijkje nemen in Josephs woningen.

 

Jules Breton The Gleaners en  Ferdinand Roybet The Cavallier

Joseph had vanzelfsprekend een kostbare schilderijencollectie, waarin grote namen als Thomas Gainsborough en Sir Lawrence Alma-Tadema niet ontbreken. Hij was wijd en zijd bekend om zijn 'dinner parties'. In 1892 wordt melding gemaakt van een diner ter ere van Russell Harrison, de zoon van de president. Bij dit feest waren bijna 200 gasten uitgenodigd.

 

Als je rijk was, gaf je vanzelfsprekend aan liefdadigheidsinstellingen of onderzoeksinstituten. In 'Bonanza Rich' (van Richard Peterson) wordt verteld over de levensstijl van de west-Amerikaanse mijnondernemers uit de laatste dertig jaren van de negentiende eeuw. We lezen daar, dat Joseph met afstand de grootste gift deed. Bij zijn overlijden liet hij meer dan de helft van zijn vermogen na aan drie instellingen voor geneeskundig onderzoek. 

 

In 1913 verdienden 2% van de Amerikanen 60% van het volksvermogen. Eén van hen was Joseph de la Mar. Hij schrijft zelf in 1915 aan de predikant van Mettray: Ik ben nu 35 miljoen dollar waard. Het lijkt weinig bescheiden, maar het blijkt wel waar te zijn.

Wat het uitgaansleven betreft: Joseph was bankier en opvallend veel van zijn cliënten waren musici. Hij zal dus regelmatig concerten hebben bezocht.

En tenslotte, ook bij Joseph was de volgende generatie rentenier: Alice leefde tot haar dood onbezorgd van het geld van haar vader Joseph..