Het bekende erfenisverhaal

(met dank aan Jan de la Mar voor het beschikbaar stellen van zijn gegevens) 

Tijdens mijn contacten met familieleden spraken veel ouderen spontaan over de historie van de erfenis, maar bij jongere generaties bleek hij onbekend. De geschiedenis is ruim honderd jaar geleden ontstaan en heeft zo'n 50 jaar velen bezig gehouden. Nu wordt het tijd om het verhaal en de speurtochten naar de erfenis vast te leggen. De story kent twee hoofdrolspelers. Guillaume Henri de la Mar (familie 1) is rond 1822 in Paramaribo overleden en laat een grote erfenis na. Joseph Rafael de la Mar (familie 2) is eveneens een zeer bemiddeld man. In familie 1 wordt verteld dat hij zo rijk is geworden, doordat hij het testament van Guillaume heeft gestolen en de erfenis onwettig heeft geïncasseerd.

De geschiedenis begint bij Adam Corneliszoon Zelle (geboren in 1840) en vader van de bekende danseres-spionne Mata Hari. Adam Zelle (geen familie van De la Mar) was iemand met een twijfelachtige reputatie. Aanvankelijk speculeerde hij met petroleumaandelen, maar dat ging al spoedig mis. Na zijn tweede faillissement in 1898 bleek Zelle zeer veel inlichtingen bekomen te hebben van de gewezen kamerdienaar van J.R. de la Mar Dhr. J.C. Rens. Rens was door gemoedsbezwaar gedreven en heeft aan dhr. J.R. de la Mar geschreven dat hij zijn diefstal aan dhr. Zelle heeft verraden. Zelle zag ineens een manier om veel geld te verdienen, maar had een erfgenaam van Guillaume nodig om Joseph te laten vervolgen. In 1902 plaatste hij daarom in verscheidene Nederlandse dagbladen een advertentie, waarin vermeld werd dat Guillaume Henri een groot vermogen had nagelaten en dat erfgenamen zich konden melden. Zelle wilde, tegen een flinke beloning uiteraard, als gemachtigde kunnen optreden. Door contacten met hem werden familieleden op het idee gebracht een speurtocht te ondernemen naar het testament van Guillaume en het bijbehorende kapitaal.

Advertentie uit o.a. 
Nieuws van de Dag
woensdag 4 juni 1902
en Nieuwe Arnhemse Courant
vrijdag 6 juni 1902. 

Hoe is het verhaal van de testamentdiefstal? Antonius Wilhelmus de la Mar (geboren 1830), caféhouder in Hattem was ooit in het bezit van het testament van Guillaume Henri. Zijn vrouw Elisabeth Geertruida Meeuwissen (geboren 1839) vermeldde dat feit in een brief. Ook Johannes Burgmeijer (geboren 1873) wist dat. Hij schreef: Ik heb dat testament gezien bij mijn moeders oom, Wilhelm Antonius. Johannes was zeven jaar toen hij het zag. Dat moet dus in 1880 zijn geweest. Elisabeth Meeuwissen schreef: In het najaar van 1885 vervoegde een matroos Joseph Rafael, zoon van Maximiliaan de la Mar en Johanna Teune……Hij kwam de groeten brengen bij mijn echtgenoot Wilhelmus Antonius de la Mar, die die dag in Zwolle was. Gemeld stuk (het testament van Guillaume Henri) dat in een mahoniehouten kistje lag, welk in de tapkast stond….. Na het bezoek van Joseph bleek het testament verdwenen en sindsdien leefde Joseph in Amerika als miljonair. In 1905 (twintig jaar na de diefstal!) vroeg Elisabeth strafvervolging aan van Joseph Rafael.

Adrianus de la Mar (geboren 1880) kon zich nog goed herinneren hoe in 1893/94 een deftige dame en heer in een rijtuig waren gekomen die hen papieren lieten tekenen, waarop het geld spoedig zou komen. Zouden dit in het Engels gestelde volmachten geweest kunnen zijn? Ook Pieter Joseph (geboren 1843) sprak erover. Bij hem kwamen heren met hoge hoeden aan de deur.

J. Sluiter schreef: Een afschrift van Wilhelm Antonius de la Mar is gestolen geworden ongeveer 55 jaar geleden, destijds Westerstraat naast de Zusterschool. Getuige: Hermanna Visscher, pleegdochter van Wilhelm Antonius. In Hattem was er echter nooit een Westerstraat en ook een zusterschool is er nooit geweest.

Velen gingen op zoek naar de erfenis. Van vier personen bezit ik documenten, waaruit ik gegevens kan vermelden. Dhr. M.S.R. Foldauer te Amsterdam reageerde op de advertentie en heeft veel geschreven om te weten waar zich het testament van de erflater zou bevinden. Hij handelde in naam van een familielid van hem n.l. een oude dame de la Mar.

Aantekening van Johannes Burgmeijer

Ook Mevrouw Alida Drechsler-Dewez (geboren 1847) nam contact op met Dhr. Zelle. Hij stemde toe haar te vertegenwoordigen en vroeg de helft van de erfenis als salaris voor zijn bemoeiingen. Mevrouw Drechsler ging niet met Zelle in zee. Ze vond zijn eis te hoog. Zelle schreef aan Mevrouw Drechsler: Gij weet dat slechts één man in de wereld de zaak in handen heeft en dat ben ik. Gij moogt doen wat u wilt, maar zonder mij kunt u niets. 

Johannes Burgmeijer ging ook op onderzoek uit. Hij schreef in 1903 naar het Departement van Koloniën om gegevens over Guillaume Henri. Ook schreef hij brieven naar Paramaribo, alles zonder resultaat.

P.J. Schijer schreef: De 9 april 1909 heeft ondergetekende een onderhoud gehad met Dhr. A.C. Zelle. Hij zei tegen mij zeer veel inlichtingen bekomen te hebben van de gewezen kamerdienaar van J.R. de la Mar Dhr. J.C. Rens. Rens verraadde Joseph, waarop dhr. Zelle van J.R. de la Mar een brief uit New York heeft ontvangen waarin deze hem een grote som geld aanbiedt om alles stil te houden. Nu ik dat stuk heb zal hij bloeden want door dat schrijven heb ik zijn volkomen schuld in handen, dat hij de erfenis van Guillaume Henri onwettig in bezit heeft genomen. Zelle vertelde ook dat de Haagse familie (Drechsler) geen cent zou krijgen omdat zij hem geweigerd had. Schijer stuurde vervolgens zijn advokaat naar New York om te gaan procederen.

Brief uit New York in 1909: Joseph Rafaël de la Mar, noch Mr. Adams (zijn gevolmachtigde), noch iemand met hem in verbinding weet iets van de bewuste overleden broeder, genaamd Guillaume Henri de la Mar en zijn beiden benieuwd te weten, en met belangstelling iets te horen over de afkomst van diens broeder, in wiens naam zij voortdurend worden lastig gevallen. Ik bevestig ook dat de Nederlandse consul dit voor de erfgenamen in Holland onderzocht heeft en tot dezelfde slotsom is gekomen dat hun aanspraak en geldigheid ijdel zijn en dat Joseph de la Mar eerlijk aan zijn rijkdom is gekomen.

Mevrouw Drechsler ging nieuwe wegen bewandelen. In 1909 vroeg ze Dhr. Kichler te Amsterdam om hulp omdat uwe eisen en aanbiedingen in deze zaak ten volle onze goedkeuring wegdraagt. Reden waarom wij niet kunnen ingaan ons te voegen naar de wil van Dhr. Zelle is deze dat zijn eisen onbillijk waren. Zelle overleed in 1910. Het grote geld heeft hij nooit gekregen.

In 1913 schreef Mevrouw Drechsler 3 brieven aan Dhr. Oudschant Dentz, administrateur van het Militair Hospitaal in Paramaribo, waarin ze vraagt onderzoek te willen doen naar de nalatenschap van 8 miljoen gulden. Haar tweede brief heeft 5 bijlagen. Een van de bijlagen is een afschrift van een onderzoek naar Josephs vermoedelijk onrechtmatige inbezitneming van de erfenis. Hierin wordt ook melding gemaakt van het feit dat hij zich uitgeeft als broer van Guillaume. Ook is er een kopie van een brief over een interview, waarin gesproken wordt over een in Amsterdam gepleegde misdaad, die Mevrouw Drechsler toeschrijft aan Joseph Rafael. Mevrouw Drechsler beloofde een beloning van 10% van de erfenis, indien zij het geld zou ontvangen. Het onderzoek liep weer op niets uit.

De belangrijkste vragen blijven onbeantwoord. 
Heeft Guillaume werkelijk geld nagelaten en heeft Joseph het inderdaad geïnd? 

Persoonlijk heb ik grote twijfels over dit verhaal. Waarom heeft Antonius Wilhelmus, die in het bezit van het testament was, het geld 50 jaar lang niet geïnd? Is de tapkast de meest veilige plaats om zo'n document op te bergen? Waarom heeft zijn vrouw pas ná de Zelle-advertentie (20 jaar later) aangifte gedaan van de diefstal? En misschien wel het belangrijkste: In het najaar van 1885 vervoegde een matroos Joseph Rafael..... Dit gegeven kan niet juist zijn. Joseph was al in 1866 kapitein geworden en drie jaar later had hij zijn eigen bergingsbedrijf. Al in 1878 kocht hij zijn eerste mijn en ging hij studeren op de universiteit van Chicago.

Wat weten we eigenlijk van Guillaume? 
Alleen dat hij is geboren op 23 maart 1774 in Den Haag. We weten niet of hij mijnen heeft gehad in Colorado, we weten niets over zijn rijkdommen en zowel de Bibliotheque Wallone als het Gouvernement van Suriname meldden dat Guillaume niet is opgenomen in de overlijdensregisters. Wat blijft is een verhaal dat velen heeft laten dromen van een gouden toekomst.