Geschiedenis van familie De la Mar 2

De naam 'De la Mar' betekent 'van de zee' en is van Joods Sefardische afkomst. Sefardisch is afgeleid van Sefarad, de bijbelse naam voor Spanje. De familie blijkt dus afkomstig van het Iberisch schiereiland. We kunnen ons voorstellen dat een oude voorvader vertelde dat hij 'van de zee' kwam. Omdat er veel mensen aan de zee woonden ga ik er niet van uit dat alle De la Mar's afstammen van één voorvader.

Al in de zesde eeuw voor Christus kwamen er Joden uit Israël naar Spanje en Portugal. Zij zijn verdreven na de val van Juda in 586 v Chr. In het Romeinse Rijk breidde het Jodendom zich uit. Door de handel met Afrika, Azië en Europa en de daaruit voortvloeiende welvaart kwamen er veel nieuwe bekeringen. Ook onder de moslimoverheersing in de tiende en elfde eeuw floreerde het Jodendom. De Joden hadden vrijheid van godsdienst en brachten belangrijke mensen voort. Ze waren te vinden in alle bedrijfstakken, waaronder boeren, handwerkslieden en kooplui, artsen en geleerden, hoge ambtenaren en kunstenaars. Ook het bankwezen (geld uitlenen) was een belangrijke Joodse taak.

 

Vanaf de vijftiende eeuw werden de Joden in Spanje en Portugal onderdrukt door de Christenen. Nergens mochten ze hun geloof belijden. Toen kwam er een nieuwe wet, in Spanje in 1492, in Portugal vijf jaar later. Binnen vier maanden moesten alle niet christenen zich bekeren of hun land verlaten. Duizenden werden Rooms Katholiek. Zij werden Converso's of Nieuwe Christenen genoemd. Converso's die in het geheim Joodse riten en gebruiken bleven volgen, werden door de Christenen Marrano's (zwijnen) genoemd. Marrano's trouwden met Spaanse burgers, kregen aanzien en werden vaak welgesteld. Naar buiten waren ze voorbeeldig christen, maar op de zolder bleven ze trouw aan de Joodse feesten en gebruiken. Werd hun ware geloof bekend, dan kwamen ze echter in aanraking met de inquisitie. De Joden verspreidden zich o.a. naar moslimlanden zoals Marokko en Turkije. Een voorvader van familie 2 heeft vast de reis naar Marokko gemaakt. Ook vertrokken er Joden naar Amerika en Nederland.

De Joden verdienden nog steeds geld met handel naar Amerika, Caribisch gebied en Brazilië. Ook de handel in geld nam een belangrijke plaats in. De Oost-Europese Joden vestigden zich in dezelfde wijk, die zich inmiddels uitstrekte tussen Amstel en Rapenburgergracht.

Sefardim keken op de Azkenaim neer. Een huwelijk tussen beide bevolkingsgroepen was zo goed als uitgesloten en in het begin zelfs verboden door het synagogebestuur. Het was dus heel bijzonder dat Salomon de la Mar (geb. 1784) trouwde met een Azkenaische Jodin.

Om een idee te geven van het aantal immigranten: In de 17e eeuw kwamen er 550 Sefardim en 51.500 Azkenaim in Amsterdam wonen. In de 18e eeuw immigreerden er 300 Sefardim en 66.500 Azkenaim naar de stad. Joden uit Oost-Europa waren dus sterk in de meerderheid, maar waren arm. Het aantal bedeelden steeg na de achteruitgang van de handel in de 18e eeuw en rond 1800 leefde ook de helft van de Sefardim van de bedeling. Zij werden daarom ondersteund door hun kerkbestuur.

 

In Amsterdam werden de Marranen weer Jood, zij werden voortaan dus weer besneden, maar er bleek een scherpe scheiding te zijn ontstaan tussen de Jood gebleven Sefardim en de Marranen die Jood waren geworden. De Marranen waren opgevoed in een katholieke omgeving, cultureel totaal anders, terwijl de meer bekrompen Sefardim wel de geestelijke leiding hadden in de gemeente.

De Sefardische Joden kwamen op sabbath bij elkaar in de oude synagoge op de Houtgracht. In 1675 werd de nieuwe synagoge ingewijd aan de Muidergracht, nu het J.D. Meijerplein (links op de afbeelding). Deze synagoge is nog steeds in gebruik. Aan de andere zijde was in 1670 de Hoogduitse Synagoge gebouwd en in 1752 werd de Nieuwe Synagoge voltooid. Deze gebouwen (rechts) bevatten inmiddels het Joods Historisch Museum.

 

De geschiedenis van Familie 2 in Nederland begint bij voorvader Masahod. Masahod de la Mar was in 1776 naar Amsterdam gekomen. Hij was Portugees-Israelitisch en kwam uit Mogador, het tegenwoordige Essaouira, een kustplaats ten westen van Marrakech in Marokko. Familie 2 behoorde tot de Sefardische Joden. De familie heeft honderden jaren in de Amsterdamse Jodenbuurt gewoond. Vooral ook temidden van Azkenaische Joden, die uit Oost-Europa kwamen en veruit in de meerderheid waren. Rond 1800 woonden in Amsterdam 20.000 Azkenaim en 2800 Sefardim. Slechts 200 Joden woonden buiten het middelste getekende gebied, maar die woonden allemaal slechts in het aansluitende stuk links. Na 1800 verspreidden de rijkere joden zich ook door Amsterdam-centrum, en na 1870 over het rechter stuk. Alle De la Mar-adressen voor 1900 waren inderdaad in de jodenwijk te vinden. 

Het register van de begraafplaats Beth Haim wordt bijgehouden sinds 1614. Pas in 1800 wordt er de eerste De la Mar begraven, Beraga Teba . Het geboorteregister wordt bijgehouden sinds 1735. Huwelijken (Ketoeboth) worden sinds 1673 opgeschreven en Masahod is in 1781 de eerste De la Mar die vermeld staat.

 

Oudst gevonden overlijdens-annonce 

 

Spanje 1492 210.000 Joden Bekeringen onder dwang 50.000 Totaal uitgeweken 160.000 Uitgeweken naar de Nederlanden 25.000 Uitgeweken naar Turkije 90.000 Uitgeweken naar Marokko 20.000 Uitgeweken overige landen 25.000

Al vóór 1600 kwamen de eerste Sefardische Joden op Vlooyenburg aan. Dat was het gebied rond de latere Jodenbreestraat. Het waren vooral rijke Portugezen, die er kwamen wonen. Zij legden de basis voor de diamant- en tabakshandel, tezamen met alle bijbehorende industrieën. Ging het goed met je, dan verhuisde je naar b.v. de Nieuwe Herengracht of de Nieuwe Keizersgracht. Of je liet, zoals Isaac de Pinto, een huis bouwen in de Jodenbreestraat (1680, zie foto). In een tijd dat Luthersen en Katholieken zich met schuilkerken moesten behelpen is het bijzonder dat joden zoveel vrijheid kregen. De gemeenschappelijke vijand Spanje en de relaties als bankier en koopman zullen daaraan niet vreemd zijn geweest. Al rond 1590 werd de eerste Sefardische synagoge gebouwd, maar al spoedig ontstonden er conflicten tussen de Marranen en de orthodoxe Joden.

 

Marranen namen in Amsterdam weer hun Joodse naam aan of zij veranderden hun naam in Israel of Jessurun. Zij droegen dus twee namen tegelijkertijd. De overige Joden namen vaak een maatschappelijke naam aan om niet op te vallen, maar bleven in de synagoge hun joodse naam gebruiken. Alexander de la Mar (geboren in 1830) heette in de synagoge Elisah de la Mar. Zijn vrouw Marianne de Vita werd daar Mirjam Hay Israel genoemd (zowel Hay als Vita betekent 'leven'). Salomon (geboren in 1851) noemde zich door-de-week Louis. Zijn vrouw Aaltje Delmonte gebruikte als familienaam de vertaling Van de Berg. Oorspronkelijk hadden namen een betekenis. Mendes da Costa was

 

In 1745 woonden er 15.000 Joden in de Jodenbuurt. Zij mochten in het vrijwel protestantse Nederland geen lid zijn van een bestaand ambachtsgilde en dus bijna geen beroepen uitoefenen. Een enkeling zocht z'n heil in het kredietwezen of de internationale handel. De meesten probeerden als venter of marskramer wat te verdienen. Er was dus veel handel in de Jodenbuurt, vooral in kleine winkeltjes, maar vooral ook op straat. Slechts 3% van de Joden had een jaarinkomen of vermogen van 600 gulden of meer, het jaarinkomen van een redelijk succesvol middenstander. Voor het totaal van Amsterdamse inwoners was dat 33%. Er bestaat een lijst van behoeftige Sefardim die een eenmalige uitkering kregen om Amsterdam te verlaten en tenminste 20 jaar weg te blijven. Op die lijst 1759/1788 komt geen De la Mar voor. Zij zijn dus in Amsterdam gebleven en behoorden niet bij de armen. In 1865 waren er in Amsterdam 50 diamantair-werkgevers. 43 daarvan waren Jood. Zij importeerden uit Brazilië en na 1869 ook uit de nieuw-ontdekte mijnen van Zuid-Afrika. In de Jodenbuurt woonden veel arbeiders uit de diamantindustrie,

 

In 1796 komt er eindelijk burgerlijke gelijkheid. Maar die volwaardigheid was vooral van toepassing op mannen die het maatschappelijk al hadden gemaakt. Voor vrouwen, kleine zelfstandigen, en zeker voor de grote massa van het zogenoemde lompenproletariaat veranderde er weinig. Vooral in Amsterdam, de enige West-Europese stad die voor de Franse Revolutie op geen enkele wijze de immigratie van joden had beperkt, was die rechtsongelijkheid sterk merkbaar. Zeker zestig procent leefde geheel of gedeeltelijk van de kerkelijke hulp. Het tij keerde, toen zij zich rond 1850, op de golven van de economische vooruitgang, als een joodse middenklasse konden profileren. In 1860 kreeg Nederland met M.H. Godefroi zelfs zijn eerste Joodse minister. Amsterdam had een groot joods proletariaat met dus veel aanhang bij de socialistische idealen. Met de opkomst rond de eeuwwisseling van het socialisme en de vakbeweging begon er ineens iets ten goede van de grote massa kansarmen te veranderen. Die ontwikkeling was mede te danken aan de inspanningen van de joodse oud politicus en mede-oprichter van de socialistische SDAP, Henri Polak. Als voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkers Bond stond hij aan de wieg van een vereniging, die na de oorlog model zou staan voor de moderne vakbeweging.

 

Veel Joden leverden in Amsterdam een belangrijke bijdrage aan de stichting van de SDAP. De rechtstreekse bemoeienis van de arbeidersbeweging bracht het emancipatieproces van de grote groep arme joden in een stroomversnelling. De invoering in 1919 van het algemene kiesrecht voor mannen en vrouwen was de voltooing van dat lange proces.

 

Natuurlijk liepen de De la Mar's ook rond op de markt. Oorspronkelijk werd die in de Jodenbreestraat gehouden maar rond 1890 verhuisde hij naar het Waterlooplein, dat al gauw te klein bleek. Uiteindelijk kwam de markt tot aan de Oude Schans. De joodse markt was rond 1900 de grootste markt van Nederland. Hij werd gehouden op zondagmorgen en alle winkels in de Jodenbreestraat en de St. Antoniebreestraat waren dan open. Rond 1910 stond daar de joodse koopman Professor Kokadorus. Hij was een pionier standwerker , stond op een verhoging en vertelde fantastische verhalen. Hij noemde zich de Koopman van Noord-Venetie, maar zijn echte naam was Meijer Linnewiel. Later stond hij op maandagmorgen ook op het Amstelveld zijn waren aan te prijzen en daar heeft men zijn monument geplaatst.

 

En toen kwam de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1941 werd de wijk afgegrendeld en maakten de razzia's onnoemelijk veel slachtoffers onder de Joodse bewoners. Steeds meer huizen in de Joodse wijk kwamen leeg te staan en in de hongerwinter werd veel hout uit de woningen verwijderd. Verpaupering en sloop was het gevolg en na de oorlog kreeg de wijk door de aanleg van de metro een totaal nieuw gezicht.

 

In familie De la Mar worden voornamelijk meisjes geboren. Dat is de voornaamste oorzaak van de teruggang van de naam De la Mar. Wonderlijk genoeg heeft de Tweede Wereldoorlog er niets mee te maken gehad. Twee oude dames De la Mar uit familie 2 zijn omgekomen in Westerbork: Ester Koopman, gehuwd met Abraham Masahod de la Mar, en Sophia de la Mar. Ester is begraven in Assen. De urn van Sophia ligt begraven voor het herdenkings-monument op Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel. Esther Graanboom-de la Mar is omgekomen en begraven in Sobibor (Polen). 
In 1947 woonden er 18 familieleden in 4 verschillende plaatsen. In 2007 leven er nog slechts 3 dames.

 

Interieur synagoge Joods Historisch Museum Amsterdam