Jean Joseph de la Mar (1778-1843)

Jean Joseph de la Mar, veldwachter (Den Haag 5-12-1778 - Hattem 30-1-1843). Zoon van Johannes de la Mar en Ulrike Sobré. Jean was broer van Guilaume Henri, bekend van het erfenis-verhaal.Jean trouwde twee maal en kreeg 14 kinderen. Hij overleed op landgoed Molencaten en werd begraven op Wiessenberg te Hattem.

 

Jean Joseph werd geboren in 1778 in Den Haag en gedoopt in de Waalse Kerk. Hij was de zoon van een meester in het gilde van de pruikenmakers. Jean trouwde rond zijn twintigste met Anna Sophia Schuurman uit Deventer. Hij woonde toen in Arnhem. Daarna verbleef hij achtereenvolgens in Den Haag en weer in Arnhem. Rond 1809 werd dochter Anna geboren in Varel-Oldenburg. Zou het mogelijk zijn dat Jean Joseph in dienst was bij de familie Bentinck? Bentinck immers had een kasteel in Doorwerth, vlak bij Arnhem, en trok zich bij de komst van de Fransen in 1795 terug op het andere bezit in Varel.

Rond 1812 woonde het echtpaar De la Mar weer in Arnhem, waar Jean assistent werd aan het Hof van Arrest. In Arnhem overleed Anna. Ze was pas 37 jaar. Ze had Jean acht kinderen gegeven.

 

Ruim10 jaar na haar overlijden, in 1827, trouwde Jean voor de tweede keer. Hij trad in het huwelijk met Petronella Leonards, de dochter van een winkelier, veel jonger en bovendien Rooms Katholiek. Jean behoorde inmiddels tot de Gereformeerde (=NH) Kerk.

Al snel na het huwelijk tussen Jean en Petronella verhuisde het gezin naar Hattem. Jean werd er roededrager (stedelijke gerechtsdeurwaarder) omdat zijn voorganger voortdurend dronken was en bedelend in Wijhe was aangetroffen. Vervolgens werd Jean de eerste officiële veldwachter van Hattem. Zijn uniform: een donkerblauw lakense jas met rood-opstaande kraag, dito broek, zwarte slobkousen, zwarte leren hoed met oranjekokarde. Hij verdiende 200 gulden per jaar. Hij kreeg als woning de (binnen)Dijkpoort aangewezen. Tweehonderd gulden was niet veel geld. Grootgrondbezitters droegen daarom bij aan zijn inkomen en zo werd hij jachtopziener van Baron van Heeckeren op zijn landgoed Molencaten te Oldebroek. Jean kreeg bovendien 7 gulden voor elke gedroste of aangebrachte koloniaal en had het alleenrecht om almanakken te verkopen.

"Kom kinderen, we gaan naar huis."Nog één keer kijken ze allemaal naar het open graf, Jean Joseph en zijn 6 kinderen. Jean kijkt naar de kleine Jacob. Vier jaar is hij pas en nu al moet hij zijn moeder missen. Hoe moet het nu verder? Ach, misschien lukt het best. Anne Maria is tenslotte al vijftien jaar. Zij zal de zorg voor het gezin op zich moeten nemen. Langzaam lopen ze door de straten van de stad.

Op 21 juni 1835 werd er gedoopt in de NH Kerk. Voorganger was Ds. Antony Brummelkamp. Hij doopte één kind en weigerde twee kinderen te dopen omdat de ouders geen belijdend lidmaat van de kerk waren. Er ontstond een rel en al snel werd Brummelkamp afgezet als predikant. 130 volwassenen en 75 kinderen scheidden zich in Hattem af van de NH Kerk. En het volgend jaar nog eens 27 volwassenen met 19 kinderen. De afscheiding die was ingezet door Ds. De Cock in Ulrum kreeg in Hattem zijn vervolg. Ds. Brummelkamp preekte daarna voor zijn afgescheidenen in woningen en schuren. Als veldwachter moest Jean steeds weer krachtdadig optreden tijdens deze godsdiensttwisten.

In 1837 werd de kantonnale gevangenis van Heerde naar Hattem verplaatst. Er was gebleken dat Hattem voor alle soorten gevangenen een 'gepaste accommodatie' kon bieden in de onderaardse gewelven van de Dijkpoort en Hoenwaardse Poort. Veldwachter De la Mar werd cipier. Hij woonde immers al in de Dijkpoort.

In Hattem kregen Jean en Petronella zes kinderen, waarvan er één, Christiaan, jong overleed.

Jean overleed in 1843 op het landgoed Molencaten op de leeftijd van 64 jaar. Hij werd begraven op de begraafplaats Wiessenberg.

De voorwerpen op deze bladzijde hebben echt aan Jean toebehoord. Ze zijn te vinden in het Streekmuseum van Hattem. Het pistool is inmiddels gestolen.