Adresnaam

Veel familienamen zijn van aardrijkskundige namen afgeleid. Deze namen geven aan waar men vandaan kwam (herkomstnamen), welk gebied of landgoed men bezat of beheerde, of welke huizen men al dan niet met bijhorend land in eigendom of huur had. Bij deze laatste groep duiden de namen ook aan waar men woonde, want straatnummers waren immers nog niet ingevoerd. Dit type naam wordt dan ook wel met de term 'adresnaam' van de herkomstnamen onderscheiden. Herkomstnamen gaan voornamelijk terug op namen van steden, dorpen en landen; adresnamen op namen van huizen, velden, waterlopen, straten.

Zonder genealogische achtergrondinformatie kan men familienamen niet zomaar volgens de simpele verdeling van hierboven indelen. Men zou bijvoorbeeld kunnen veronderstellen dat de familienaam Hinlopen op de Friese plaatsnaam Hindelopen teruggaat. Het blijkt echter geen herkomstnaam te zijn. Deze naam is immers ontleend aan een huis 'daer Hindelopen uythangt', en is dus een adresnaam.

Waar komt de naam vandaan?

 

Een herkomstnaam geeft dus de plaats aan waar de eerste naamdrager vandaan kwam: Van Arnhem, Stienstra, De Zeeuw, Waardenburg.

Een adresnaam is dus ontleend aan de plek waar de eerste naamdrager woonde: Ten Brink, Van de Weide, Van den Eshof (een boerderij), Van der Zee, Van der Poel, Van der Plas

 

Er zijn nog vier andere naamgroepen: 

Een beroepsnaam geeft het beroep van de eerste naamdrager: Visser, Smit, Mulder, Brouwer.

Een eigenschapnaam geeft een kenmerk van de eerste naamdrager b.v. zijn haarkleur (De Wit), zijn karakter (De Goede), zijn leeftijd (De Jonge), zijn lengte (De Korte) enz.

 

Oorspronkelijk wisselde de naam per generatie. Jan Pieterzoon kreeg een zoon Gijsbert Janzoon. Je noemt dit een patroniem of vadersnaam. Op een gegeven moment versteende het patroniem tot verwantschapsnaam: Pietersen, Jansen, maar ook Jansma (Friesland) en Lievense (Zeeland). De twee afgebeelde Jan Pieterzoons (Coen en Sweelinck) hadden bovendien al een tweede achternaam

 

Familienamen waren in de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk, Spanje en Italie sinds de zestiende eeuw al heel normaal. Maar de Noordelijke Nederlanden hadden hierin een enorme achterstand. Zelfs in Holland waren familienamen niet algemeen verspreid. In Hilversum had in 1650 pas 45% een vaste familienaam en in 1700 was dit nog maar gestegen tot 60%. Het noorden en oosten van het land waren nog trager. Met de groeiende bureaucratisering werd het lastig geen vaste achternaam te hebben en de ingreep van de overheid bleek in de Noordelijke Nederlanden hard nodig. Het is dus niet juist dat achternamen pas ontstonden in de tijd van Napoleon. De naam De la Mar bestond bijvoorbeeld al veel en veel langer.