Nederlands Mettray

Er zijn altijd lastige en verwaarloosde kinderen geweest, maar pas in de negentiende eeuw begon men zich voor dit soort jeugd te interesseren. In die tijd werden jonge kinderen berecht als volwassenen en zaten ze in de gevangenis soms naast de ergste misdadigers. Bovendien was de ouderlijke macht vrijwel onbeperkt en kon niet worden opgetreden tegen ouders die hun kinderen verwaarloosden of zelfs exploiteerden.

Een stroming in de maatschappij wenste verandering en naar voorbeeld van Mettray (bij Tours in Frankrijk) ontstond het plan voor de landbouwkolonie Nederlands Mettray, waar kinderen zouden worden heropgevoed in plaats van gestraft. Grote voorvechter was Dr. Willem Suringar en onder zijn leiding werd geld ingezameld en werd uiteindelijk het landgoed Rijsselt te Gorssel (bij Zutphen) aangekocht.

In 1851 startte de kolonie met een hoofdgebouw, 4 familiewoningen en een school. Er waren 11 pupillen ingeschreven, die kwekelingen werden genoemd. Als directeur werd J.W. Schlimmer (1808-1897) aangesteld. Schlimmer werkte sinds 1833 in de gevangenis voor jongens in Rotterdam en ruilde het werken met 'misdadige' jongens met het heropvoeden van 'verwaarloosde' jongens en jongens met met gedrags- en karakterproblemen.

Het doel der Vereeniging is om zooveel hulpbehoevende en verwaarloosde knapen, mits tot één de Protestantse kerkgenootschappen behoorende, als de beschikbare fondsen toelaten, in eene Landbouwkolonie te vereenigen, en voor hun onderhoud en hunne opvoeding eenigen tijd te zorgen.

 

Op 15 augustus 1855 werd de bijna twaalfjarige Joseph de la Mar ingeschreven op Nederlands Mettray. Nadat zijn vader Maximiliaan was overleden was het gezin tot armoede vervallen en Joseph was al eens van huis weggelopen en gaan varen. Hij werd ingeschreven door de afdeling Amsterdam en een staat van inlichtingen over zijn gezinssituatie was hem vooraf gegaan. Eigenlijk had jodenjongen Joseph niet toegelaten kunnen worden en op het inschrijvingsformulier lezen we dus, geheel bezijden de waarheid.: godsdienst: gereformeerd, beroep vader: landbouwer. De heren Borrius, kennissen van zijn vader, namen de kosten van het verblijf op zich. Joseph was, zoals alle pupillen, kerngezond en had geen veroordeling achter de rug. Velen waren, net als hij, afkomstig uit een onvolledig gezin en kwamen vaak uit Amsterdam, Leiden of Rotterdam.

Joseph werd in de kolonie opgeleid voor de land- en tuinbouw, maar al gauw konden kwekelingen ook kiezen voor een ambacht. De beroepskeuze werd later helemaal vrij en sommige kwekelingen bezochten toen zelfs scholen in Deventer, Apeldoorn of Zutphen.

Directeur Schlimmer had de algemene leiding. Hij werd bijgestaan door een staf van ongeveer 15 personen. Zo was er administratief en huishoudelijk personeel. Er waren onderwijzers en werkbazen, die je een vak leerden. En tot 1859 waren er huisvaders, die als vervangouder fungeerden. Vaak waren dat oud-militairen. Na dat jaar werd begonnen met het monitorenstelsel, waarbij oudere leerlingen de jongeren onder hun hoede namen. De kolonie was een mannengemeenschap. Alleen voor de keuken en de was waren vrouwen aanwezig.

In 1860 waren er 150 kwekelingen. Staf en pupillen woonden samen op de instelling en waren volkomen op elkaar aangewezen. Een groot probleem was dat personeel vaak slechts enkele jaren bleef en daarna vertrok om op een andere plaats meer te gaan verdienen en minder geïsoleerd te wonen.

De jongens liepen in uniform en het belangrijkste dat ze moesten leren was om het verkeerde na te laten. Uit de archieven blijkt dat zij zich niet slecht gedroegen. Bij een goede beoordeling kon je immers monitor worden. Jammer is dat de kwekelingrapporten uit de eerste jaren door brand zijn vernietigd. Over Joseph is dus niet veel te melden. Gemiddeld verbleven pupillen 5 jaar op de kolonie, omdat er binnen slechts één jaar weinig resultaten te verwachten waren.

Hoe zal een Joseph-dag er hebben uitgezien? Bij het ochtendappèl controleerde de directeur of de kwekelingen behoorlijk gereinigd en gekleed waren. In de zomer was er na het appèl een dagopening. Na 1862 werd die gehouden in de nieuw gebouwde kapel. Daar gekomen worden de klompen uitgetrokken ordelijk onder het orgel langs de muur geplaatst. De kwekelingen gaan op hun plaats zitten en krijgen per twee een bijbeltje uitgereikt. Bij de ochtend- en avondmaaltijd was de directie niet aanwezig, maar bij de hoofdmaaltijd om 12 uur wel. Voor en na de maaltijd stonden alle kwekelingen op en werd er door één van hen gebeden. Muziek was een onmisbaar schoolvak. Er werd veel gezongen, zowel volksliederen als godsdienstige verzen. De tijd die niet werd besteed aan onderwijs en arbeid, aan godsdienstoefeningen en exerceren, aan eten en drinken, aan wassen, kleden en slapen, werd volledig gevuld. Vooral op zaterdagen en zondagen werden er boeken voorgelezen en stichtelijke toespraken gehouden, werden feestdagen gevierd, werd er gewandeld, gespeeld en gezongen. Ook bij slecht weer werden de kinderen steeds bezig gehouden, want ledigheid was, ook toen al, des duivels oorkussen. Zal Joseph hier zijn eerste orgellessen hebben gekregen?

Op 14 maart 1961 mocht Joseph naar huis. Hij had in de kerk belijdenis gedaan van zijn geloof en kreeg reisgeld mee tot Amsterdam. Hij was zeventien jaar en zou al gauw als lichtmatroos bij de koopvaardij zijn brood gaan verdienen.

Suringar bleef doorgaan met inzamelen. Overal in het land vond hij invloedrijke personen, die zijn plannen wilden steunen, zodat de instelling in 1862 kon worden uitgebreid met nieuwe familiewoningen en een kerkje. Het Koninklijk Huis bezocht de kolonie verscheidene malen en steunde financieel. Suringar deed baanbrekend werk op het gebied van de kinderbescherming. Hij overleed in 1872 en werd begraven op de begraafplaats van Nederlands Mettray.

In 1876 was Joseph aanwezig bij het 25-jarig jubileum van Nederlands Mettray. Hij had een gesprek met de nieuwe directeur, dhr. Meter. Twee jaar later refereerde hij in een brief aan deze ontmoeting, toen hij om hulp vroeg voor zijn neefje Paul Abram te Rotterdam. In die tijd had Joseph al zijn eigen bergingsbedrijf in Vineyard Haven (Verenigde Staten) geleid en inmiddels was hij weer kapitein op de grote vaart.

Bij een bezoek aan familie in Amsterdam in 1913 wilde Joseph zijn oude school nog eens bezoeken. Hij schreef daarom een verzoek aan directeur P.G. Appelboom.Vanzelfsprekend ging die accoord met het bezoek en bij zijn vertrek gaf Joseph hem f. 15.000, waarmee hij terug wilde betalen wat indertijd zijn opvoeding aan de kolonie had gekost. Voor dat geld werden twee gebouwtjes geplaatst, waarin o.a. een ziekenzaal, een tekenzaal en het kantoor voor de adjunct-directeur een plaats vonden. Ook was er slaapplaats voor 40 jongens. De gebouwen kregen de namen De Lamarhuis en Prins Hendrikhuis.

In 1915 ontving Appelboom een brief van Joseph, waarin hij hem vertelde dat hij Nederlands Mettray in zijn testament had genoemd voor $ 50.000. Na het overlijden van Joseph in 1918 ontving de kolonie het genoemde bedrag, omgerekend ruim f 144.000.

 

Nederlands Mettray bestaat nog steeds. Na een fusie in 1998 werd de instelling omgevormd tot Justitiële Jeugdinrichting Rentray. Nu is het een besloten jeugdinrichting. De school op het terrein houdt de grote voorvechter in ere. Hij heet Rentray Suringarschool.