Kunstgezelschappen

In 1822 startte de Kunstacademie in Amsterdam. Er waren 4 afdelingen met ieder hun eigen directeur. Die directeuren werden in 1839 de oprichters van Arti et Amicitiae(Kunst en Vriendschap), een particulier initiatief dus, met als doel de kunsten tot bloei te brengen.

Arti betrok al snel een pand aan het Rokin. Na een paar verbouwingen werd in 1856 het buurpand aangekocht en werd een nieuwe gemeenschappelijke voorgevel toegevoegd. De gevel is van gepleisterd baksteen, zodat hij op natuursteen lijkt. Op de foto zie je Arti in 1870. De laatste grote verbouwing die David meemaakte was in 1894. De hoofdingang werd toen naar het Spui verplaatst.

 

Door tentoonstellingen te organiseren en nauwe banden aan te gaan met het koopkrachtige deel van de bevolking droeg Arti bij aan de verbetering van de positie van de kunstenaar. Er werd een Weduwen- en wezenfonds voor kunstenaars in het leven geroepen. Het fonds werd gefinancierd door schenkingen van honorair leden, door entreegelden van tentoonstellingen en door de catalogi-verkoop.

 

Het was de tijd van de Verlichting. De mens moest zoveel mogelijk kennis verwerven en Arti organiseerde kunstbeschouwingen, waarop sprekers uitleg gaven aan geïnteresseerden. In 1841 werd de eerste 'Tentoonstelling voor Levende Meesters' gehouden. 

 

Arti had vier soorten leden: gewone leden waren beroepskunstenaars uit Amsterdam en buitenleden waren kunstenaars van buiten Amsterdam. Ook waren er kunstlievende leden en honorair leden. Die laatsten waren prominente personen, burgemeesters, beroemde buitenlandse kunstenaars en zelfs leden van het koninklijk huis. Op 12 februari 1867 werd David gewoon lid van Arti. Hij was immers beroepskunstenaar en woonde in Amsterdam. Je leest dat in het inschrijvingsregister op blz. 38, regel 6. Hij werd een trouw inzender van schilderijen en aquarellen op de jaarlijkse tentoonstellingen.

Arti et Amicitiae en Pulchri Studio waren in de negentiende eeuw de belangrijkste kunstenaarsverenigingen in Nederland. Bijna elke kunstenaar van betekenis was lid van beide verenigingen, maar ik heb nergens kunnen vinden of David lid van Pulchri was. Het bestuur van Arti bestond in de jaren zestig voornamelijk uit gevestigde schilders als Charles Rochussen en Cornelis Springer. Daardoor was er binnen Arti geen plaats voor vernieuwing. Kunstenaars uit de nieuw opkomende Haagse School konden wel lid worden, maar mochten niet exposeren. In 1876 ontstond er daarom een conflict. Haagse buitenleden vroegen stemrecht en Arti wees dat af.

Rond 1870 mocht David voor het eerst in Arti exposeren. Als je een vroeg werk van David vergelijkt met latere werken dan zie je hoe zijn stijl verandert en hij steeds meer de Haagse School aanhangt. Vanaf die tijd zag je ook op de Arti-tentoonstellingen steeds meer schilderijen verschijnen van de Haagse School, een teken dat deze stijl steeds meer werd geaccepteerd. David keek vooral naar zijn vrienden Joseph Israëls en Adolph Artz. Hij kopieerde het werk van Mauve en voelde zich duidelijk verwant met deze stroming.

In de jaren tachtig kwam een nieuwe stroming op: de Amsterdamse Expressionisten. Ook zij kregen bij Arti in eerste instantie geen kans. Zij hadden vanzelfsprekend flinke kritiek op het behoudende beleid en ook in de kranten werd vaak negatief over Arti geschreven. Ook voor David was de kunst van deze jongeren een stap te ver. In de notulen van 14 juli 1891 kun je lezen dat David voorstelde om een eigen tijdschrift op te richten om daarmee op de kritieken te antwoorden. Arti bleef zwijgen, maar wel kreeg een aantal jongeren uit de Amsterdamse School stemrecht. Onder deze jongeren waren Dake en Breitner. Met hun inbreng kwam een omwenteling snel dichterbij. In 1892 trad het oude bestuur af en nieuwe mensen onder leiding van Dake zorgden voor vernieuwing. Eindelijk was op de tentoonstelling werk van jongeren in de meerderheid en er hingen twee werken van Van Gogh. Ook de tentoonstellingsaffiche zag er meteen heel anders uit.

In het sterfjaar van David (1898) is het bestuur van Arti als volgt: Bart van Hove (voorzitter), Geo Poggenbeek (tweede voorzitter), John F. Hulk (secretaris), G.H. Breitner (tweede secretaris) en C.G. 't Hooft (penningmeester). Arti had in dat jaar 40 stemhebbende leden (waaronder David) op een totaal van 540 leden.


 

In 1878 werd het Kunstgezelschap MAB (Michel Angelo Buonarotti) in Amsterdam opgericht en David werd meteen lid. MAB was een besloten, informele kring van jonge kunstenaars uit het Amsterdamse kunstcircuit, voor wie gezelligheid belangrijker was dan geëngageerd of vernieuwend zijn. Tot deze groep behoorden o.a. Nicolaas van der Waay (de schilder van dit schilderij en het meest enthousiaste lid van het genootschap), Carel Dake (tweede van links) en Willem Witsen. Titel: Gastmaal, aangeboden aan H. Koekkoek jr.(aan het hoofd van de tafel) Het is uit 1886 en je ziet David als vierde van rechts.