Het bronnenmateriaal

In welke boeken kunnen we iets over David vinden? De oogst is heel klein. Veel gevonden teksten zijn hieronder vermeld.

 

Twee jaar na zijn dood is er een verkooptentoonstelling in Antwerpen. De bijbehorende catalogus vermeldt 40 schilderijen van David, zowel op canvas als op paneel, plus nog 20 werken van andere schilders zoals Madiol en De Braekeleer. Het boekje heeft 8 zwart-wit afbeeldingen.
De catalogus opent met een biografie van 2 kantjes.

 

Maar al twee maanden na zijn overlijden is de eeerste verkooptentoonstelling. En ook daar hoort een boekje bij.

C.F. Roos. Tableaux Modernes. Etudes, Aquarelles, Dessins etc…. l'Atelier de Feu M.-David de la Mar…. 
Sale Oct. 25, 1898. Qto, 35 pgs., 180 works, 6 plates. Wrs. chipped. Incs. 65 oils, drawings, and watercolors by de la Mar, none illustrated.

(Ik heb dit boekje nooit kunnen vinden. Bij deze tekst staat een verkeerde afbeelding)

 

Mar, David de la (De la Mar, D.), Painter, * 14.3.1832 Amsterdam (Noord- Holland), T 6.8.1898 Hilversum (Noord- Holland) - NL RoyalHibAcad; Scheen II.

 

Wij willen hier niet in een opsomming vervallen van wat schilders als Bosboom, Jacob Maris en Mauve practisch geweest zijn voor tijdgenooten en jongeren; want, ofschoon bekend is, dat Bosboom Behr voorthielp - deze combinatie is zelfs een handelsmerk geworden - hoewel wij weten, dat Mauve den Utrechtschen Soeterik voorthielp, zoodanig, dat Jaap Maris van zoo'n overgeschilderden Soeterik zei, dat Mauve zelf nooit zoo mooi Wolfhezen weergegeven had, of we weten, dat het de hand van Willem Maris was, die het Noorweegsch landschap in het Museum te Dordrecht -- hij was met Alexander Wüste, volgens prof. dr. Veth een zeer goed schilder, wiens werk veelal in de Rijnprovincies te vinden is, hij heeft hier trouwens slechts korten tijd gewerkt, naar Noorwegen gegaan -- met vee gestoffeerd had, of we weten, dat Jacob en Willem Maris Boks voorthielpen of figuren in de schilderijen van Hanedoes schilderden, of door hun hand het werk van de la Mar onherkenbaar maakten voor zijn kameraden, en door hoevelen is deze schilder niet voortgeholpen, evenals Brugman, van wien zulke goede copieën naar Jan Steen en andere oude Hollanders in de ateliers der schilders hingen, _ wat beteekent dit bij de kracht, die overal en in alles van de groote meesters uitgaat, van hun persoon, van hun werkplaats, van hun werk! Het was van Jacob bekend, dat geen der meesters zoo goed in een anders werk kon komen, op zoo verrassende wijze de oplossing kon vinden, als een jonge schilder niet voortkon met zijn werk, als hij.

 

Jozef Israëls De Opkomst van de Haagse school met Jozef Israels, Willem Roelofs, Anton Mauve, Jacob Maris, zijn broers, en vele anderen geldt sinds de publicatie van het overzichtswerk van mejuffrouw G.H. Marius, De Hollandse schilderkunst in de negentiende eeuw (1903) als het grote ontwaken van de Nederlandse schilderkunst.Zowel Israëls als Jacob Maris werden als waardige nazaten van de tonalistische 'harmonist" Rembrandt begroet hoewel dat in schildertechnisch opzicht onterecht was. Het beeld dat Marius van de Haagse school schetste, was aantrekkelijk al moest zij daarvoor wel de eraan voorafgaande schilderkunst van tafel vegen. Bij Marius komt de twee-deling grof-?jn terug. Jozef Israëls, die academisch ?jn was begonnen en als een ruw schilderende Rembrandt eindigde, gold als 'de voornaamste Wederverheffer'. Het is met de reputatie van Jozef Israëls echter niet veel beter afgelopen dan met die van Pieneman, Kruseman of Scheffer. Ook Israëls had zich georiënteerd en de academische weg gekozen, eerst op de Amsterdamse academie en daarna, misschien geïnspireerd door Scheffers Gretchen aan het spínnenwiel, reisde hij in 1845 naar Parijs om te werken op het succesvolle atelier van Picot. Succes viel ook Israëls ten deel want hij werd op de École des Beaux Arts toegelaten. Zijn academische opleiding was in orde, maar zijn grote historiestuk, dat werd ingezonden naar de Wereldtentoonstelling van 1855 kreeg kritiek te verduren. Israëls gooide vervolgens het roer radicaal om en ruilde zijn historische helden in voor eigentijdse vissers en boeren. Zijn techniek veranderde niet direct mee. In 1867 gaf hij "ouderwetse", academische raadgevingen aan David de la Mar en schreef hem ondermeer: "Zorg voor zuiverheid in de verf en niet zoo stinkerig dik van smeerderij, dun, dun, dun, en zo op het licht hier en daar een zetje dik [...] dikke binnenhuizen zijn onaangenaam - lang teekenen voor je begint en het prettig bij elkaar arrangeren voor gij aan het verwen gaat - als het geld u niet begroot, is het altijd nuttig om eens naar Rott. te gaan [...]".

 

Aanvankelijk presenteerde de handel op de doorlopende tentoonstellingen eigentijds werk van uiteenlopende richtingen en genres. Bij C.L.C. Voskuil & Co. waren bijvoorbeeld in december 1891 "moderne schilderijen van Nederlandsche schilders van verschillende richting" te zien, waaronder werk van de meer vooruitstrevende G.H. Breitner en de traditioneel werkende H. van Hove Bz., terwijl ook het werk van de inmiddels overleden A. Waldorp niet ontbrak. Vanaf het einde van de jaren tachtig stelden handelaren ook de eerste groepspresentaties met werk van verwante kunstenaars samen. Zo was in maart 1887 in Pictura, het kunstlokaal van de firma Van Pappelendam en Schouten, "eene collectie schilderijen, studiën en teekeningen, voor het meerendeel van jonge Amsterdamsche kunstenaars" als Bastert, Dake, Oldewelt, Kever, De la Mar en Huibers te zien.

In het register kom je David nog eens tegen: 1832 D. de la Mar koopman

 

Mar, David de la;* geb. Amsterdam 14 maart 1832, overl. Hilversum 6 augustus 1898. Woonde en werkte in Amsterdam. Leerling van de Koninklijke Akademie in deze stad en van Hébert te Parijs. Schilderde landschappen en exterieurs met figuren. Tentoonstellingen Amsterdam en Den Haag enz. 1864-1897: het ontbijt van de kippen; in en op de boerderij; koeienhoedster; melktijd; de korenoogst; breistertje; klein kindje in de wieg; tekening van een schuurtje; enz. Teylers Stichting Haarlem: wasdag (D. de la Mar 1882). Marius; Scheen.

 

2000 J.A.H. Reynaerts Het karakter onzer Hollandsche school'. De Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam, 1817-1870. Dissertatie:

David bezocht de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten vanaf 1855. Hij komt voor in het chronologisch en het alfabetisch register van kwekelingen, maar nergens in de tekst.

 

In twee verschillende uitgaven van dit boek stond dezelfde tekst:

Mar, David de la;* geb. Amsterdam 14 maart 1832, overl. Hilversum 6 augustus 1898. Woonde en werkte in Amsterdam. Leerling van de Koninklijke Akademie in deze stad en van Hébert te Parijs. Schilderde landschappen en exterieurs met figuren. Tentoonstellingen Amsterdam en Den Haag enz. 1864-1897: het ontbijt van de kippen; in en op de boerderij; koeienhoedster; melktijd; de korenoogst; breistertje; klein kindje in de wieg; tekening van een schuurtje; enz. Teylers Stichting Haarlem: wasdag (D. de la Mar 1882). Marius; Scheen.

 

In dit boek vond ik veel gegevens over de geschiedenis van Arti et Amicitiae. Op bladzijde 32 komt David voor: 

Voor het eerst was er nu een reactie binnen Arti te bemerken op deze - of soortgelijke - kritieken. De landschap- en genreschilder David de la Mar (1832-1898) stelde de ledenvergadering voor een eigen tijdschrift op te richten om daarmee op de kritieken te antwoorden. Maar ook hier kwam niets van en vooralsnog bleef waardig zwijgen Arti's antwoord tegenover de buitenwereld (notulen 14 juli 1891).

 

In dit boek over kunstenaars van de Veluwezoom, de Oosterbeekschool, wordt David tweemaal genoemd. Er wordt geciteerd uit een brief.

Anton Mauve bestudeerde steeds ter plekke de schapen om deze in een juiste stemming met de goede lichtval op het doek te zetten. In oktober 1869 schreef hij dan ook, nog steeds vanuit Oosterbeek, aan de Amsterdamse schilder David de la Mar ( 1832-1898): Ik verlang erg om veel met je te bepraten maar wat moet ik doen Ik heb nog dingen hier onderhanden, twee schilderijtjes en moet noodzakelijk nog schapen bestuderen.

Mauve aan D. de la Mar Oosterbeek 15 oktober 1869, archief P.A. Scheen, collectie RKD Den Haag

 

Begin juni 1882 reisde Anton Mauve, waarschijnlijk samen met zijn collega David de la Mar (1832-1898) met de stoomtram naar Laren.234 Het zou niet bij een bezoek blijven. De zomers daarop keerde Mauve veelvuldig terug. Niet alleen Laren en de omgeving trok Mauve.s belangstelling, maar het gehele Gooi. Hij logeerde met de jongere schilders Willem Witsen, Willem Bastiaan Tholen en Piet Meinders op het landgoed Ewijkshoeve in Baarn. Zijn studiegenoot en jeugdvriend, de schilder Paul Joseph Constantin Gabriel verbleef met grote regelmaat in het nabijgelegen Kortenhoef, om het moerassige polderlandschap te schilderen. Vermoedelijk heeft Mauve hem daar af en toe opgezocht in het Rechthuis.235 Voor Anton Mauve genoten Laren en haar omgeving de voorkeur.

 

BODT, S.F.M. DE, M.C. PLOMP et al., 2009, Anton Mauve, 1838-1888, cat.tent., Bussum bl42
In januari 1864 lukte het Mauve om enkele kamers te huren in Amsterdam, boven de winkel van Hendrik jan van van Wisselingh aan de Vijzelstraat 99 (in Amsterdam). Deze Van Wisselingh, die voorheen kunsthandelaar was geweest, handelde in thee en sigaren. In Amsterdam vond Mauve Warnardus Bilders die zich al in 1858 in de hoofdstad gevestigd had. Ook diens zoon Gerard was, wanneer hij niet buiten werkte. in Amsterdam te vinden. Daarnaast behoorden in die periode ook Adolph Artz(1837-1890], David de la Mar (1832- 1898) en Jozef Israëls (1824-1911] tot de Amsterdamse vrienden van Mauve. Voor laatstgenoemde maakte Mauve, wellicht in deze periode, een nogal bijzonder schilderij: een portret van diens hond. Artz zou in 1866 ook bij Van Wisselingh een atelier huren. De la Mar - een genreschilder beïnvloed door Jules Breton en Jozef Israëls - schilderde het eenvoudige land- en vissersleven met hardwerkende mensen. Uit de enkele brieven van Mauve aan De la Mar blijkt dat zij goed met elkaar overweg konden. Evenals Israëls gaf Mauve raadgevingen aan de tobbende De la Mar. 'Hoe gaat het met je werk, maak vooral een goed eenvoudig waar dingetje,' schreef Mauve bijvoorbeeld aan hem en hij bemiddelde blijkbaar ook voor hem want hij vervolgde de zin met: 'ik geloof er een goed plaatsje voor te hebben. namelijk ik sprak den Heer Mesdag over jou en hij drukte de wensch uit dat je hem iets goeds moet laten zien.' De la Mars waarderíng voor het oordeel en de kunst van Mauve blijkt uit het feit dat hij een werk met landarbeidsters van hem kopieerde, waarbij hij vooral lette op de toon en de verfbehandeling. In 1868 woonde De la Mar - net terug uit Parijs, waar hij in het atelier van Ernest Hébert had gewerkt - op een van de goedkope kamers in de Vijzelstraat, maar dan is her pand al twee jaar niet meer van Van Wisselíngh, maar overgedaan aan de kunstschilder W.F. van Veldhuyzen. Een jaar later gaat De la Mar zijn geluk weer in het buitenland beproeven, waarbij Mauve hem bemoedigende woorden schreef: "t is tenminste voor den verkoop vooral voor jou werk, veel beter dan hier, geen slechter land dan Holland op dat punt wat het werken zelf betreft daar zullen wij wel hetzelfde over denken, dat zal daar niet anders wezen als je zelf hier [ondervindt] en mogelijk dat onze stille en genoegelijke levenswijs, onze gesprekken op onze wandelingen in de lieve streken je wel eens missen zult.' 

bl 98 Begin juni 1882 reisde Anton Mauve, waarschijnlijk samen met David de la Mar (1832-1898), met de stoomtram van Amsterdam naar Laren. Ze vonden onderdak in hotel De Gouden Leeuw bij de Brink. Laren was een klein dorp dat vooral bestond uit boerderijen en arbeidershuisjes. De bevolking bewerkte het land, hield schapen of werkte voor een van de textielfabrieken. Het werd omgeven door een glooiend landschap van zandgrond met heidevelden waarop schapen graasden. Het isolement waarin het dorp had verkeerd, was in 1882, kort voordat Mauve er kwam, verbroken door de aanleg van de rechtstreekse tramverbinding met Amsterdam. Jozef Israëls (1824-1911), die er al in 1874 kwam, geldt als de ontdekker van Laren.